Weidevogels

 

Weidevogels

Kemphaan

Watersnip

Kievit

Grutto

Tureluur

Wulp

Ik woon in Edam en heb mijn schuilhutten in Noordholland. In zo een situatie kan het bijna niet anders dan dat de verschillende soorten weidevogels regelmatig voor je lens komen. Als vanzelf ontwikkelt zich dan een soort specialisme. Als je honderden uren naar weidevogels zit te kijken dan ga je een hoop gedrag herkennen. En dat helpt bij het maken van de leukere platen.

Het begrip Weidevogels is niet zuiverd gedefinieerd. Wikipedia zegt er het volgende over:

 

"Onder weidevogels worden vogelsoorten verstaan die in uitgestrekte graslanden broeden. Het is geen exact omschreven indeling, en ook geen uitsluitende classificatie zoals gebruikelijk in de taxonomie: een weidevogel kan ook een zangvogel of een wadvogel zijn. Het begrip wordt veel gebruikt in discussies over agrarisch natuurbeheer en het behoud van weilanden als bijzonder cultuurlandschap, omdat het soorten betreft die in meer of mindere mate zijn aangewezen op een door de mens gevormd landschap.

 

De gebruikelijke definitie heeft betrekking op alle vogels die op de grond broeden in weilanden. Gangbaar is een onderscheid tussen primaire en secundaire weidevogels, waarbij de eerste categorie in hoofdzaak op grasland broedt, en de tweede dat in mindere mate doet.[1] Een precieze maat voor in hoofdzaak ontbreekt echter. Een soort kan in het ene jaar als een secundaire weidevogel worden gezien maar door veranderingen in het gedrag en/of omstandigheden doorschuiven naar de primaire weidevogels.

 

Tot de primaire weidevogels rekent men doorgaans de steltlopers kievit, scholekster, grutto, tureluur, wulp, kemphaan en watersnip. Velen beschouwen dit rijtje als de echte weidevogels; watersnip en kemphaan zijn echter zo zeldzaam dat ze ook in weilanden niet vaak worden aangetroffen. Enkele eendesoorten broeden eveneens overwegend op grasland: zomertaling en kuifeend. Verder voelen enkele kleine zangvogels zich zeer thuis in weilanden: veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart.

 

Tot de secundaire weidevogels worden vogels gerekend die vaker in andere landschappen broeden dan in het weiland. Hiertoe behoren onder meer de veelvoorkomende meerkoet en wilde eend, die getalsmatig vaker in grasland te zien zijn dan enkele van de bovengenoemde steltlopers. Dat geldt in mindere mate voor de fazant. Andere secundaire weidevogels zijn eendesoorten als slobeend, krakeend, bergeend en de zeldzame wintertaling, en bontbekplevier, kleine plevier, kluut, visdief, kokmeeuw, waterhoen, patrijs, kwartel, kwartelkoning, paapje en grauwe gors. Ook de zwarte stern is een weidevogel, hoewel die slechts zelden op het land broedt."

 

De "big 6" heb ik bijna allemaal altijd of regelmatig voor één van mijn hutten (uiteraard in het seizoen). Alleen de Wulp laat zich niet zo vaak zien.